Terug naar hoofdinhoud

Kroniek van het goede leven in Friesland

Zakelijk human interest magazine
Verschijnt tweemaandelijks – jaarabonnement € xxxx
Redactie: Albert van Keimpema
Abonnement: administratie@friesjournaal.nl

‘Ich bin ein Gariper’ - Klaas Jansma

Het is echt gebeurd dat een rechtzinnig Christen in ons dorp op zondag de haan uit het kippenhok haalde omdat hij op de Dag des Heeren niet met seks geconfronteerd wilde worden. Ik moest hieraan denken omdat er afgelopen zondag een vrolijke dominee uit Drenthe preekte die de kudde opriep om vliegend de kerk uit te gaan. Nou, dat wilden ze wel, maar het ging wat moeilijk. Ze waren namelijk, anders dan in de preek was voorzien, geen vliegende ganzen geworden. Dus waggelden ze.

Die rechtzinnige Gariper was een pake van Karel Pander en zijn heroïsche daad is iconisch geworden. Maar dat is niet de reden waarom ik trots roep dat ik een Gariper ben, elke keer als ik de sterspot ‘Ich bin Undiemeister’ zie met die dikke bobbel in de onderbroek. Ik heb het thuis voor de spiegel met een paar sokken geprobeerd, en inderdaad: een dikke bobbel. Daar kon je mee thuiskomen.

Ik dacht eraan omdat ik de aandoenlijke kop in de krant zag dat geen inwoner van Tytsjerksteradiel ooit zou zeggen: ‘Ik ben een Achtkarspeler’. Hoewel ik vrees dat iemand uit Houtigehage of Augustinusga of Surhuisterveen dat ook niet zo gauw zal zeggen, is het wel echt ambtenarenpraat. Van die mensen die hopen hun pensioen op dezelfde stoel te halen als waar ze in geboren zijn, waardevast graag. Ze wilden bij Burgum een woonwijkje achter de Kleasterloane bouwen, maar vergaten dat er binnen 400 meter van een manege niet gebouwd mag worden en dat het Sterrenkijkmuseum met lichtvervuiling niet kan functioneren. De bewoners wisten ook van niks. En hoewel de Frysksinnige Kleasterloane-bewoner Eibert van der Veen de afgelopen zomer overleden is, doet de plannerij wel heel onbeholpen aan. Echt Burgum, zeggen wij dan in Garyp, onze zegeningen tellend omdat we maar één keer in de twee jaar naar het prachtige witte gemeentehuis van Abe Bonnema hoeven om een nieuw paspoort of rijbewijs. Zelfs de verkiezingen worden hier gehouden, in It Geahûs.

Met een paar sokken in de onderbroek en de haan in het kippenhok ben ik heel wat mans. Maar om nou te zeggen dat ik duizend euro per jaar over heb voor het behouden van onze gemeentelijke zelfstandigheid, dat is een beetje overdreven. Ze werken al uitbundig samen, Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen, om maar aan een gedwongen fusie te ontkomen.  

Nu ben ik net door Frieda gevraagd om bij ‘Een kleintje Kerstnachtdienst’ een wijze uit het Oosten te spelen. Dat lijkt me passend, want zulken komen hier nooit voorbij. Niet dat er in het Oosten geen enkele wijze woont, Oebele Brouwer is er tenslotte burgemeester, maar hier is niks te halen. Zelfs geen woning aan de Kleasterloane, want die dingen worden ook al niet gebouwd, met dank aan de prutsers die de plannen hebben verzorgd. 

‘Ich bin ein Gariper’, en als God of die ambtenaar het wil ook ‘Tytsjerksteradieler’. Maar als het moet wil ik ook best een ‘Achtkarspeler’ zijn, want daar hebben ze uitstekende pikefangers, die ook wel een haan aan kunnen.   

Kalenderlandbouw en Kabinet - Sjoerd Galema

Het begint een patroon te worden, dat mensen aan mij vragen of ik er nog wel zin in heb, in deze lastige tijden voor de boeren. Als je de media een beetje volgt is deze vraag meer dan logisch, maar het lukt ons nog steeds prima om met de nodige relativering naar ons vak als boer en het platteland te kijken. De zegeningen van het platteland zijn juist in een coronajaar wat hopelijk achter ons ligt, enorm. Niet voor niets stijgen de huizenprijzen voor het eerst in de regio harder als in de steden. Op het platteland is lucht, licht en ruimte in combinatie met sterke sociale verbanden, net zo vanzelfsprekend als fijnstof, groeiend individualisme en een hoop lawaai in de grote steden.

De vraag of een boer er in deze tijd nog wel zin in heeft, is ook vanuit een ander perspectief zeer terecht. Steeds vaker denken politici en beleidsmakers dat onze samenleving en de natuur maakbaar zijn. Een minister die voorschrijft hoe en wanneer wij de koeien moeten voeren. Kalenderlandbouw als metafoor voor hoe onze overheid met boeren wil omgaan. Inclusief verplichte oogstmomenten, vanwege het weer onhaalbare deadlines, en een leger juristen om alles te controleren.

Het is aanmatigend hoe overheden, maatschappelijke organisaties en groepen burgers menen meer verstand van landbouw en dieren te hebben dan boeren. Voor andere sectoren zoals bijvoorbeeld de visserij geldt hetzelfde. Ja zelfs in het publieke domein met de zorg en het onderwijs, staan de beste stuurlui en wederom een leger juristen aan de wal. En in de kabinetsformatie ligt het fenomeen van een gewenste nieuwe bestuurscultuur op de onderhandelingstafel.

Ik spreek hier de wens uit dat die nieuwe cultuur zichtbaar wordt in een fris Kabinet met Vakministers. Te beginnen met een no-nonsense vakgenoot (boer(in) met klei aan de laarzen) op Landbouw. Wat dacht u van een betrokken Ernst Kuipers-achtige vakvriend op Volksgezondheid? Iemand als MKB-man Jacco Vonhof uit het bedrijfsleven op Infrastructuur en Milieu of EZ, en Marjon Koopmans op OCW… en ga zo maar door.

Zelfs na een dik halfjaar verloren formatietijd begin ik enthousiast te worden bij de gedachte van zoveel vakmanschap en betrokkenheid in een frisse ministersploeg. Mensen die hurd wurkjende Friezen grutsk maken op een ieders bijdrage aan de samenleving, en die al die beste stuurlui op een zijspoor dirigeren. En uhh…, hoe ging het ondertussen met de boer?  Die ploegt wel voort…

Perceptie bepaal jezelf - Egon Diekstra

In de eerste fase van ons bedrijf deden we ons veel groter voor dan we waren. Het is schattig, maar niet krachtig om te vermelden dat je een starter bent. Zo wilden we ons ook helemaal niet voordoen, want met kennis van en netwerk in de markt ben je geen starter. Althans, het bedrijf letterlijk wel, maar wij niet…

Dus ons verhaal naar potentiële klanten was het verhaal van een bedrijf dat zich inmiddels bewezen had. We hadden zogenaamd klanten, bestonden langer dan we daadwerkelijk bestonden, de website liet volwassenheid zien, er werkten meer mensen bij ons dan er daadwerkelijk werkten etc.

Wij vonden dat we dat verhaal nodig hadden om grote organisaties voor ons te winnen als klanten. Ons product klopte wel, maar zakendoen met een ‘startup’, is lastig voor veel organisaties, dus dat wilden we graag beïnvloeden.

En dan is het handig dat je in Friesland je bedrijf hebt en je klantenpotentieel in de Randstad. Dan is het logisch dat jij hen opzoekt en zij niet bij jou langskomen om te constateren of het verhaal een beetje klopt. Het ging ons erom dat we eerst in gesprek kwamen en een vervolgafspraak wisten te bewerkstelligen, en we gokten erop dat ze ons niet te veel gingen controleren. En dat was natuurlijk wat naïef. Op een dag wilde een grotere potentiële opdrachtgever toch eerst nog even in Sneek kijken…

Wij hadden een keurig pandje maar slechts met één bureau en twee stoelen ingericht. De rest was chaos, want dat vonden we tot op dat moment niet belangrijk. Toen de contactpersoon van deze potentiële klant graag met ons in Sneek wilde afspreken, hebben we in dat weekeinde heel hard gewerkt. Bureaus, bureaustoelen, beeldschermen (zonder dat deze aangesloten waren), allerlei kantoorartikelen, planten, je kon het zo gek niet bedenken. Van alles zetten we in ons pand om het maar volwassen te laten overkomen. Daarnaast vroegen we enkele vrienden en familieleden om even een dagdeel plaats te nemen op ons kantoor en vooral veel de telefoon over te laten gaan, want het moest lijken dat er gewerkt werd. Er moest reuring zijn, want dat wekte de indruk dat we succesvol waren.

Het toneelstuk werd bekroond met een mooi contract. De man was overtuigd en onder de indruk. De uitvoering van de opdracht was daarna volgens belofte en daar draait het uiteindelijk om. We hadden voor een lange tijd een tevreden klant gescoord.

De perceptie is de waarheid voor de klant. En die perceptie bepaal jezelf. Die instelling mis ik regelmatig bij ondernemers als ze met uitdagingen te maken hebben. ‘Winnaars hebben een plan, verliezers een excuus’, luidt een gevleugelde uitspraak.

Inflatiespook terug van weggeweest? - Pim Baljet

Sinds de wereldwijde financiële crisis van 2009-2012 wordt er door centrale banken met nieuw monetair beleid geëxperimenteerd. Anders dan in het verleden worden niet alleen de niveaus van de beleidsrentes ingezet om de inflatie en de inflatieverwachtingen te beïnvloeden, maar ook grootschalig obligaties van overheden en bedrijven opgekocht in ruil waarvoor geldelijke liquiditeit aan de economie wordt verschaft. Mede als gevolg van het op deze wijze invulling geven aan het monetaire beleid zijn de spaarrentes al jaren negatief en de rente op langlopende hypotheken op historisch lage niveaus.  Volgens aloude economische theorieën zou het ongebreideld strooien met geld door de centrale banken onherroepelijk tot een snel oplopende moeten inflatie leiden. Tot voor kort was er echter eerder angst voor dalende prijzen. Deze deflatie-angst was een gevolg van de bestrijding van Covid-19 waardoor vele sectoren in de economie te maken hadden met grote vraaguitval. Nu de afgelopen maanden deze beperkende maatregelen wereldwijd versneld zijn afgebouwd, toonden economieën een ongekende veerkracht waardoor de wereldwijde vraag naar grondstoffen, zoals olie, bouwmaterialen en chips ten behoeve van o.a. de auto-industrie het beschikbare aanbod fors overtrof. Het gevolg: snel stijgende prijzen voor de consumenten. 

Staan we dan nu voor een periode van onbeheersbaar hoge inflatie? Allereerst denk ik dat er al jarenlang sprake is van inflatie als gevolg van het gevoerde rente- en opkoopbeleid van centrale banken. De (te) grote hoeveelheden extra geld zijn namelijk niet in de reële maar in de financiële economie neergeslagen. De prijsstijgingen op aandelenbeurzen, grond- en huizenmarkten zijn daar voorbeelden van. Maar in de consumentenprijsindices worden deze prijsstijgingen niet meegenomen en dus niet gemeten. Na de uitbundige stijging van de aandelenmarkten van vorig jaar klommen de koersen ook dit jaar alweer met zo’n 20%, mede als gevolg van de negatieve vergoeding op spaargeld. Daarnaast blijven de prijzen van koopwoningen met dubbele cijfers stijgen.  Gemiddeld gaan woningen 10-15% boven de vraagprijzen over de toonbank en het einde van deze “verkopersmarkt” lijkt niet in zicht. Mijn stelling is daarom dat de inflatie al vele jaren aanwezig is en pas nu lijkt door te sijpelen naar goederen die consumenten kopen. Voeg daarbij de recente stijging van de benzine- en gasprijzen, en iedereen is wakker en vooral boos. Veel van deze prijsstijgingen zijn van tijdelijke aard naar mijn mening. Die van onroerend goed evenwel structureler. Tot mijn grote verbazing heeft de medebeleidsbepaler van de huidige (te) lage rentes, directievoorzitter van De Nederlandsche Bank Klaas Knot, de ultieme oplossing voor krapte op de woningmarkt bedacht. De man loopt overduidelijk over van politieke ambities, want hij komt ongevraagd met adviezen die ver buiten zijn mandaat vallen. Verplaats de eigen woning van belastingbox 1 naar box 3, en schaf daarnaast versnelt de hypotheekrenteaftrek af. Dat is lekker. Huizen op hun hoogtepunt van hun waarde belasten. En…. in box 3 worden we belast op basis van verondersteld rendement op ons vermogen. Dus Klaas Knot dwingt ons met zijn ridicule voorstel onze eigen woning in de verhuur te zetten om daaruit enig rendement te behalen? Klaas, zorg jij nu maar dat de rente op hypotheken gaat stijgen. Dan zal de huizenmarkt snel afkoelen en deze bron van inflatie onder controle komen en de huizenmarkt toegankelijker wordt voor kopers.

Friesland onder de loep - Albert van Keimpema

Waar blijven de rechte ruggen? FrieslandCampina durfde het 150-jarig jubileum niet te vieren uit angst voor activisten. Wat een slappe houding. FrieslandCampina is een zuivelreus op lemen voeten geworden, en de boeren zijn de paria’s van de samenleving. Het is moeilijk te verteren voor een boerenzoon als ik. Er ligt praktisch geen product in de schappen of de zuivel heeft er een aandeel in, maar we weten het niet eens. Ik maak me zorgen over ons welvaartsniveau in de toekomst. De hoogontwikkelde, hoogst innovatieve zuivelsector is de pijler onder onze economie maar je moet het wel willen weten. Wij zijn helaas te rijk om het onder ogen te willen zien. Maar dat gaat veranderen. Alleen: dan is het te laat. Je zou graag willen dat zo’n grote onderneming als FrieslandCampina zich eens laat horen, gaat vertellen hoe het zit. Met een campagne over weidemelk red je het niet. Bovendien komt die melk in dezelfde tank als de stalmelk, laat u niks wijs maken. Natuurlijk is het prachtig als koeien in de wei lopen, een mooi gezicht, maar de koe schiet er niks mee op. Voor haar is het al gauw te warm. En de boer schiet er ook niks mee op want een warme koe geeft aanmerkelijk minder melk omdat ze energie onder de zon verbruikt. In de moderne stal krijg je automatisch een verkoelende neveldouche als het te warm is. Zo slecht is het in de stal niet. Maar ook dat moet je willen zien. Je hoort FrieslandCampina niet omdat ze niet verder dan de eigen fabrieken kijkt. Gortdroog brengt het bedrijf cijfers naar buiten. In 2030 zijn er volgens FrieslandCampina vijfduizend melkveehouders minder, er zijn er nu tienduizend, omdat die geen toekomstperspectief zouden hebben. Dat is over acht jaar, de helft minder! Bij de bureaucratische mega-onderneming werken mensen die nog nooit op een boerderij zijn geweest. Die maken rekensommetjes hoe alles goedkoper kan. Daar zijn ze voor opgeleid en voor aangenomen. Nou, het sommetje dat je alleen al bespaart op de logistiek als je bij de helft van de adressen melk ophaalt, is gauw gemaakt. Daar hoef je geen hogere wiskunde voor hebben gestudeerd.

Voor het juiste beeld moet ik vermelden dat de vermindering slechts met tien procent minder koeien gepaard zal gaan. De melkplas zal dankzij innovatieve boeren nauwelijks krimpen. Gelukkig maar voor de zuivelfabrieken die zijn ingericht en becijferd op aantallen liters melk. Dat hebben diezelfde rekenkundige kantoorklerken wel verzekerd.

Maar daar zit hem wel de crux: de boer wordt gedwongen groter, moderner en nog efficiënter te worden wil hij rentabiliteit.

Ik sprak onlangs acteur Freark Smink, en eerder beeldend kunstenaar Ids Willemsma (de smid). Prachtige mannen waar Friesland trots op mag zijn. Maar het doet me pijn als de een (Smink, een boerenzoon) zegt weinig meer op te hebben met het boerenbestaan van vandaag de dag en de ander staat te grommen op zijn erf als een mestwagen over het land rijdt. Ik ben niet zo somber als zij en ik ben het ook niet geheel met hen eens, omdat ik de goede kanten van het moderne boerenbedrijf zie en omdat ik heel veel boeren ken die van grote waarde zijn voor landschap en natuur, maar het doet verdriet als het draagvlak afneemt. En zeker als het Friezen zijn die bij onze plattelandscultuur horen. Ik richt mijn pijlen nooit op boeren, wel op overheden, banken, politiek en nu dus ook op melkfabrieken zonder ruggengraat. 

Probleem is dat al die wereldverbeteraars die boeren bekritiseren en zich druk maken over het milieu alleen maar naar hun eigen welzijn, naar hun eigen positie en portemonnee kijken. In hun verhalen gaat het over de mensen. Wat maakt het nou uit als mensen verzuipen? Is dat slecht voor de aarde? Zijn wij zo hoogmoedig dat wij denken natuur en klimaat te kunnen verslaan. De aardas hoeft maar een paar millimeter scheven te staan of de gevolgen zijn groot. De magnetische velden en de aardplaten hoeven maar iets te verschuiven, en dat doen ze voortdurend, of de extremen nemen toe.

We denken ook de zee te kunnen keren. Er ligt een plan van een honderden kilometers lange ‘klimaatdam’ tussen Noorwegen en Schotland. Maar het water gaat ook door het Kanaal tussen Engeland en Frankrijk, dus ja, ben ik nou gek? En dat Kanaal afsluiten komt op de kop verkeerd want dan worden de aardse krachten te sterk voor dammetjes. Dat wordt vechten tegen windmolens, of tegen de bierkaai. Luister gewoon naar de oceanoloog Sjoerd Groeskamp. Hij vindt een paar meter zeespiegelstijging niet raar want dat is zo vaak voorgekomen. Maatschappelijk is het wel een probleem, voegt hij eraan toe. Me dunkt. Die maatschappij dat zijn wij zelf. Wij moeten ermee leren leven en subiet stoppen met vervuilen, belasten en vernietigen van Moeder Aarde over de volle breedte. Daar horen ook de zogenoemde groene energiedragers als zon en wind bij terwijl de scheten en de stront van zes miljoen Nederlandse koeien gerelativeerd moeten worden ten opzichte van achttien miljoen schijtende landgenoten, al ben ik van mening dat de mest net als vroeger droog moet zijn wil je die uitrijden. Dat is winst en dus moeten we vrolijk doorgaan met innoveren. Neem geothermie, die schijnt ook zo groen te zijn. Warm water uit de vuurbal die onze Aarde is, kan het nog mooier? Maar al die boringen in de dunne, kwetsbare aardschil tot op drie kilometer diepte, heeft dat dan geen effect? Je hebt boerenverstand nodig om te weten dat zulke ingrepen hoogmoedig zijn. Net zo hoogdravend als raketten voor de lol in de ruimte schieten en zoektochten naar leven op planeten waar het driehonderd graden vriest of heet is. Dan moet je je niet meer druk maken over anderhalve graad opwarming.

Laten we verder gewoon aan het werk gaan. Dat is wel zo goed voor lichaam én geest. Maar ik zie de godganse dag mensen lanterfanten terwijl slager Spijkerman in Akkrum de deuren op gezette tijden moet sluiten omdat geen personeel voorhanden is. Hij legt de vinger op de zere plek: ouders willen hun kinderen niet praktisch vormen en sturen ze naar vrij nutteloze mavo- en havo-scholen. Ze laten ze geen vak meer leren. Veel kinderen zitten thuis met de poes op schoot. De migratiepolitiek is een ramp. Van de immigranten, en dat zijn er best veel want ondanks een krimpende bevolking in Nederland komt er jaarlijks een stad van de omvang van Apeldoorn bij, is 53 procent werkloos. Er zijn geen prikkels meer en de overheid speelt voor Sinterklaas. Laten we leren van het verleden. Met het stichten van de Koloniën van Weldadigheid net over de Fries-Drentse grens, recent uitgeroepen tot UNESCO Werelderfgoed, werd armoede bestreden. Arbeiders kregen een dak boven hun hoofd en dagelijks te eten plus een bescheiden loon, maar ze waren verplicht te werken. In hun zweet des aanschijns verrees een monumentale nederzetting waar mensen die buiten de boot waren gevallen domweg gelukkig waren.

Laat ik afsluiten met een even opzienbarend als hoopvol bericht ten tijde van de transgendermanie: er is een wereldkampioenschap vissen voor vrouwen gehouden. Als er nou één bezigheid is die mij geslachtelijk neutraal lijkt, dan is het wel vissen. 

Gastheerschap - Tjitte de Wolff

Dit is mijn eerste column in het Fryslân Culinair-katern. Ik wil als voorzitter graag duidelijk maken waar wij mee bezig zijn en welke belangen wij als club dienen. Dat is de Friese gastronomie in de breedste zin van het woord. Daarbij draait het niet alleen om koken, maar ook om de streekproducten die wij in Friesland telen en kweken. Zonder goede, verse ingrediënten kun je geen goede maaltijden bereiden. Friesland biedt een rijkdom aan wat van eigen bodem en uit diverse regio’s komt. Verder is het gastheerschap belangrijk. En daar wil ik het nu over hebben.

De horeca is een prachtig volwaardig vak. Helaas kennen we momenteel in onze branche personeelstekorten. Graag zie ik dat de jeugd zich gaat interesseren voor onze uitstekende horecaopleidingen. Zonder aanwas van nieuwe talenten wordt het moeilijk om op de gewenste sterkte te opereren. De aandacht mag niet alleen uitgaan naar het opleiden van managers maar zeker ook naar de dienstverlenende functies.

Met gasten omgaan is fun. Je moet er een talent voor hebben maar je kunt het ook leren. Mensen het naar de zin maken zodat ze zich comfortabel voelen, is namelijk een vak apart dat overal ter wereld hoog wordt gewaardeerd. Ik wil de jeugd op het hart drukken dat je in weinig andere beroepen zo veel verschillende mensen ontmoet, uit zo veel diverse culturen, uit alle landen van de wereld, uit alle geledingen van de maatschappij; van creatievelingen tot artiesten, ambachtsmensen en topondernemers. Dat is machtig interessant. Wie dat kan legt een basis voor zijn of haar leven. Dan kun je met zo’n achtergrond overal terecht en in alle andere richtingen succesvol zijn. Natuurlijk hoop ik wel dat zij in onze sector werkzaam blijven, maar ik bedoel dat onze beroepen een schat aan levenservaring oplevert waarmee je heel goed je voordeel kunt doen. Dienstverlenend zijn is niet saai, maar hip. Denk aan al die studenten die in cafés, bars en restaurants werken. Wij kunnen niet zonder hen, zij verdienen een welkome bijverdienste die hun studie en wonen ondersteunt. Wij kunnen niet zonder elkaar! 

Goed gastheerschap is een kwaliteit. Je fungeert als een artiest op het podium in een schouwburg. Je bent een gesprekspartner voor gasten en het gezicht van de zaak aan tafel. Je bent veel meer dan een plateauchauffeur. Je staat aan het front en je communiceert met collega’s en gasten. Dat vraagt tact, attentie en motivatie.

Ik noem de mensen die dit vak beheersen hero’s. Wij bij Tjaarda hebben ook onze hero’s. Om er twee te noemen: Thom van der Heide en Riekele Heida. Thom is restaurantmanager en is het gezicht van de Oranjetuin. Riekele is al decennia bij ons werkzaam en is nu de gastheer van ons Grandcafé 1834. Met alle respect voor managers, de horeca heeft mensen nodig die zich in de praktijk kunnen redden. Bovendien moeten Thom en Riekele ook managen maar ze staan ‘met de poten in de klei’ zoals we dat in Friesland noemen.

Leren doe je in dit vak niet alleen op school maar ook in de praktijk. Je maakt alles mee wat er in het leven passeert: genieters, connaisseurs, jubilea, recepties, diners-dansant, uitvaarten, congressen etc. De horeca is het meest sociale vak dat er bestaat. Jullie zijn welkom!

Tjitte de Wolff, voorzitter Fryslân Culinair en directeur van hotel-restaurant Golden Tulip Tjaarda. 

   

Aankleding - Albert van Keimpema

Een horecazaak moet je aankleden, anders nodigt het niet uit. Dat aankleden hoeft geen permanente tentoonstelling te zijn van prullaria zoals je vroeger nogal eens zag (het mag natuurlijk wel), want aankleden kan ook uitgaan van het principe less is more. Een industriële look kan een mooie entourage bieden. Hip hoeft niet strak te zijn, modern niet saai. Stoelen moeten vooral goed zitten. Functionaliteit hoeft een aantrekkelijke sfeer allerminst uit te sluiten. Iemand die al gauw een hele avond tafelt, zoals ik, moet niet moe van het gezelschap worden, daar zorg ik zelf wel voor, maar ook niet van de stoel waarop je zit. Laatst zat ik op een restaurantstoel met een buizenframe. Zal best mooi staan, maar je buigt steeds wat door op deze licht bewegende stoel waardoor je niet lekker aan tafel zit. Na een uur moest ik, gek geworden van het zitten, van plaats wisselen met mijn disgenoot die op een muurbank zat. Eindelijk comfort.

De kunst van het inrichten is om het voor gasten aangenaam te maken. Kies je voor een harde vloer, of voor vloerbedekking? Vroeger verdiende het laatste de voorkeur om alle geluiden te dempen. Tegenwoordig zijn veel houtlookvloeren- en parketten alsook laminaat eveneens goed toe te passen omdat ze van kunststofmateriaal zijn gemaakt. Die absorbeert geluid. Datzelfde geldt voor speciale systeemplafonds die in veel uitvoeringen leverbaar zijn. En ja, hangen we gordijnen in de zaak of niet? Ik vind ze wat uit de tijd, maar in een avondrestaurant staan ze mooi. Zoals ik een gordijnentree spannend en smûk vind. Vroeger toen die schitterende pub in het Oranjehotel er nog was, de mooiste pub van Friesland (hoe haal je het in je hoofd om die eruit te slopen?), moest je door twee entreegordijnen naar binnen. Daglicht was er niet. Zo nu en dan stak hotelier Frans Bonnema zijn hoofd door de coulissen om te inspecteren of alles nog ordelijk verliep. Niet altijd.

Onder aankleding valt ook het tafellinnen. Wel of niet? Ik verkies het wel omdat ik mijn armen niet graag op een harde tafel laat rusten en ik nattigheid van glazen irritant vind. Maar het hangt van de zaak af. Ik snap dat je in een grandcafé geen linnen gebruikt. Is trouwens prijzig; al het linnen vervangen en laten reinigen. Er zijn restaurants die voor een tussenoplossing kiezen door de tafel half met linnen te bedekken.

Ja, en dan kom ik bij het personeel. Wat loopt de bediening er vaak slordig bij. En waar blijft de outfit? Dikwijls herken je de medewerkers niet eens. Ik ben van mening dat elke horecazaak een huisstijl moet hebben qua bedrijfskleding. Een barmedewerker in een sloof en met de vlinder voor, waar zie je dat nog?

Een goede aankleding draagt bij aan een goede entourage.

Lelylijn een realiteit? - Hans Wiegel

Al een tijdje lonken de vier noordelijke provincies ernaar een graai uit de Staatskas te krijgen om te proberen de – wat heet – Lelylijn te laten bouwen. De provinciale besturen zeggen dat die welvaart zal brengen, onmisbaar voor de economische ontwikkeling van het noorden van ons land. 

De provincies schrijven dat er daarom veel huizen bij moeten komen. Voor Friesland alleen wordt genoemd 45.000 huizen. Dat staat in het plan. Ik denk dat daar goed over moet worden nagedacht. Eigenlijk zeggen de bestuurders dat dit moet gebeuren omdat anders die Lelylijn er niet komt. Is dat zo? En is het zo dat de regering ook over die Lelylijn wil nadenken? 

Een tijdje terug las ik een uitspraak van de baron Van Knobelsdorff, ooit de burgemeester van Smallingerland. Ik heb hem nog gekend. Hij was een buitengewoon burgemeester. Eén van grote klasse. Hij zorgde ervoor dat Philips naar Drachten kwam. Een prachtige prestatie. Burgemeester Van Knobelsdorff is indertijd overleden toen hij op reis was, terug van het westen naar zijn huis. Ik zal hem nooit vergeten. Die burgemeester was een praktisch man. Hij vond zo’n railverbinding tussen Drachten en het westen een utopie. Hij vond dat de bestaande weg prima was. 

Voor personenvervoer vond hij een treinverbinding van weinig betekenis. 

Terug naar de realiteit van vandaag de dag. Wat kost die mogelijke Lelylijn? Hoeveel burgers rijden daar dan mee? De politiek in onze provincie is soms hoteldebotel. Graag een nuchter standpunt. 

Ik zou zeggen: denk eens na. Zullen in deze zware tijd voor de overheid de regering en het parlement zo’n groot bedrag – we moeten denken aan veel miljarden! – willen uitgeven? De provinciale autoriteiten kunnen er mooi over spreken. Maar dat doet de landspolitiek waarschijnlijk niet. 

Maar de belangrijkste vraag is deze: willen wij die 45.000 extra woningen in Friesland? Hierboven schreef ik al dat we hier goed moeten nadenken. Ik heb mijn oordeel. U kunt die wel inschatten!

‘In hûn is gjin bern’ - Barbara van Beukering

‘Zolang we in Amsterdam wonen, nemen we geen hond’, was de reactie van mijn man als ik weer eens over een hondje begon. Hij vond een hond op een bovenwoning, die drie keer per dag uitgelaten wordt op stoeptegels en moet plassen tegen een lantaarnpaal, je reinste hondenmishandeling. Ik ken genoeg mensen in Amsterdam van wie de hond een prima leven heeft; na een rondje Vondelpark gezellig mee naar het café en ’s avonds knus met de baas op de bank. Een vis weet tenslotte ook niet dat-ie in water zwemt.

Toen we vorig jaar de beslissing namen om permanent in Friesland te gaan wonen, greep ik mijn kans; ik mocht een hond! Het was nog geen sinecure om middenin coronatijd een puppy te vinden. Ik schreef minstens tweehonderd fokkers van Labradors, Duck Tollers en Golden retrievers aan, het antwoord was eenduidig; er was zoveel vraag door corona dat er geen mensen meer op de wachtlijst werden gezet. Vorige zomer lagen we met onze boot een paar dagen in de haven van Grou. Terwijl we door de Oostergoostraat liepen, zag ik opeens een heel mooie hond. Op onze vraag wat voor ras het betrof, antwoordde het baasje: ‘Een Field Trial labrador. Dat is een slanke, atletisch gebouwde labrador die in Engeland speciaal voor de jacht wordt gefokt.’ Diezelfde avond appte ik vanaf de boot naar hun fokker de vraag of er een nest in de planning zat. Ik kreeg een appje terug dat ze hun hond in het najaar weer zouden laten dekken. Ik kon een plaatsje op de wachtlijst krijgen op voorwaarde dat ik met de hond op jachttraining zou gaan. Ik beloofde het gretig.

In november kregen we bericht dat moederhond zwanger was, of we kwamen kennismaken. We werden ontvangen in de huiskamer waar aan alle muren opgezette koppen van dieren hingen. Ik zag een gnoe, een zebra, een wild zwijn en een edelhert. De heer des huizes bleek een fervent jager, hij reisde er elk jaar voor naar Afrika. Toen ik vroeg waar de hond was, moest ze die even uit de kennel halen. Kennel? ‘Ja, de hond is altijd buiten in de kennel, ze komt nooit in huis.’ Ik verslikte me in mijn koffie. 

Drie maanden later haalden we Lobke op; acht weken oud, vier kilo schoon aan de haak. Tijdens een wandelingetje door de hoofdstraat om met het beestje te pronken, kwam ik een dorpsgenoot tegen die jaagt. Hij herkende meteen een rasechte Field Trial in mijn dotje en vroeg of ik op jachtcursus ging. Toen ik zei dat ik nog twijfelde, antwoordde hij: ‘Je stuurt een kind dat naar het gymnasium kan, toch ook niet naar de mavo?’ Een maand later meldde ik me met Lobke in de bossen van Beetsterzwaag voor de eerste les puppyjachttraining. Henk, de jachthondentrainer, keek naar mijn hond die heel hard aan de riem trok omdat ze allemaal andere hondjes zag. ‘Waar is je jachtlijn?’ Toen ik zei dat ik geen jachtlijn had, haalde hij er eentje uit zijn auto. Het bleek een hondenriem te zijn die eindigt in een lus die je om de nek van de hond legt. Als de hond trekt, wurgt de hond zichzelf, als het ware. Henk deed de lus om de kop van Lobke die onverminderd doortrok richting de andere puppy’s. Ze kreeg geen adem meer. ‘Dit vind ik zielig’, zei ik, terwijl ik met mijn vingers ruimte tussen de halsband en de nek van mijn hondje probeerde te creëren. ‘Het is niet zielig’, zei Henk, ‘ze doet het zelf.’ De daaropvolgende les, zei Henk: ‘Weet je wat het probleem met jou is, Barbara? Je vindt je hond te lief.’ Ik keek naar Lobke, die als een klein Page-hondje naar me opkeek, en zei: ‘Maar ze ís toch ook lief??’ Henk keek me streng aan: ‘In hûn is in hûn en in hûn is gjin bern’. Inmiddels is Lobke acht maanden. Ze zit niet gezellig naast me op de bank, ze ligt naast mijn voeten op de grond. Ze mag beslist niet in onze slaapkamer komen en als we eten gaat ze in de bench. Ik ben de roedelleider, ze moet zonder pardon doen wat ik zeg.  Maar ze loopt de hele dag vrij rond in de tuin om ons huis. Ze zwemt dagelijks in de Langweerder Wielen en we lopen elke dag uren door het bos. Lobke mag in haar pootjes wrijven dat ze in Friesland woont.

Help. Ik word slapend rijk! - Klaas Jansma

Met toenemende spanning wacht ik de komende WOZ af. Die komt februari 2022. Vorig jaar werd mijn woonboerderij ineens veertigduizend euro meer waard. Nu zou het wel eens vijftigduizend kunnen zijn. Volgens het CBS kan de waardevermeerdering in 2021 oplopen tot 20%. Fryslân gaat de Randstad achterna.

            In één jaar vijftigduizend euro schoon verdienen zonder er een slag voor te doen, dat is crimineel. Je hoort te werken voor je geld. Een fooi erbij mag, wat rente ook als je zuinig bent. Maar zonder enig risico vijf keer zoveel krijgen als de AOW, die wél belast is, dat hoort niet. Bovendien: als er geen rampen gebeuren, gaat de waarde van onroerend goed vast niet omlaag. Postzegels en Friese klokken daalden binnen enkele jaren met 80% in waarde. Die zijn echter niet te vergelijken met een groot huis op een 1,90m hoge zandrug, met vrij uitzicht en de buren op veilige afstand. 

            Bij de bank geven ze mij er geen tientje meer om, terwijl ik dat wel zou willen. De vrouw wordt namelijk nogal royaal van al die rijkdom en de kinderen kijken steeds begeriger naar mijn beurs. Terwijl ik de Spar duurder vind worden, hoewel Siep en Jellie het fantastisch doen. Maar de inflatie gaat door. 

De bank kijkt naar mijn verdienvermogen. Dat is bij een 72-jarige vrij laag. Veel meer dan een ton kunnen we niet krijgen, al is het onderpand meer dan het zesvoudige waard. Dat is, met een hoge WOZ-heffing en een onbescheiden wensenpakket van de aanhang, aan de schrale kant. Zo beleven we precies het omgekeerde van wat hedonisten zeggen: ‘Mensen met paarden, hebben een hemel op aarde. Maar komen ze te sterven, dan valt er niks te erven.’ 

            Je zou hopen dat een regering hier iets aan deed. Maar zo lang daar patjepeeërs als Cora van Nieuwenhuizen in zitten met dollartekens in de ogen, hoef je van onze grote leider niks te verwachten. Die kijkt als het moeilijk wordt de andere kant op. Als hij daar op wordt aangesproken, weet hij er niks meer van. Ons land is door zijn vergeetachtigheid zo onbestuurbaar geworden als een auto met Alzheimer. Alleen wordt Ruttes rijbewijs helaas nooit ingenomen.

Voor mij is dit minder erg dan een slingerende tegenligger. Maar ik ben dan ook geen starter op de woningmarkt, die straks als dakloze moet meebetalen aan een vertrouwd klimaat. Maar bij onze verarmde gemeente spekt de WOZ de kas, ook voor de WMO. Zo draagt een kleine man in Garyp, die elk jaar vijftigduizend euro rijker wordt zonder dat hij er praktisch iets van merkt, bij tot een snel herstel van het gat van Wopke en het wachtgeld van Doeke Fokkema.   

Keet - Sjoerd Galema

De coronapandemie heeft het afgelopen jaar een flinke wissel getrokken op het gemoed van bepaalde bevolkingsgroepen en de burgers in ons land. In het nieuws ging het de afgelopen tijd vaak over jongeren, en met name jongvolwassenen, die onder de bijzondere omstandigheden vaker lijden aan uitzichtloosheid en depressiviteit.

Nu geef ik het je te doen, om je studie te beginnen in dit voorbije jaar, zonder fysieke ontmoeting op je nieuwe school. Of zoals bij een van mijn eigen kinderen, haastje-repje te worden teruggeroepen van je minor in Azië, en een jaar later in een call van 20 minuten iets van je diplomering aangekondigd te krijgen. 

Met deze inleiding wil ik met u als lezer in de richting van de rijke sociale samenhang die ik zie onder jongeren op het platteland. Veel jongeren zijn elkaar tijdens de pandemie blijven ontmoeten in de privésfeer, en vaak ook in de plaatselijke keet (zuipkeet! Jajaaa). Die keten, en ook de lokale sportclubs, geitenfok of “clubs voor weet ik wat” brengen op het platteland een “gearhing” samenhang onder jongeren, waar menig grootstedelijk individualist of beleidsmaker een puntje aan kan zuigen.

Het is gelukkig weer volop genieten deze zomer, waarin de keetgroepen samen geweldige kaatspartijen, compleet met DJ en BBQ op poten zetten. Feesten waar iedereen erbij hoort en meedoet. Samenhang en solidariteit in groepen van 20 tot 50 jongeren, die leren, studeren en later ook allemaal een baan hebben of krijgen. Als je ze vraagt of ze weleens van het UWV of de Wajong hebben gehoord, krijg je een blik van “doge jo wol?” Ze willen het niet eens weten.

De jongvolwassenen op het platteland zijn daarmee het afgelopen jaar, vast en zeker wel eens langs, of over de randen van de coronaregels gegaan. Maar wat ik heb gezien, is een sociale samenhang die zorgt dat iedereen erbij hoort, meedoet, en verantwoordelijkheid neemt op global thema’s als klimaat, energie en inclusiviteit, zonder erover te schreeuwen en te stressen. 

Ze hebben de overheid en politiek er niet bij nodig, juist niet… 

Ik zie Leiderschap met een grote L, zomer 2021, in de Fryske polder…

Ondernemen met vet op de botten is gemakkelijker - Egon Diekstra

Veel handen gaan de lucht in, als ik tijdens een presentatie aan studenten vraag, wie graag voor zichzelf wil beginnen na zijn of haar studie. Het enthousiasme is groot om snel te gaan ondernemen en ze ogen overtuigd van het succes. Ideeën hierover hebben ze vaak al: een nieuw modemerk, een online platform dat een probleem oplost of bedrijfsvideo’s maken…. Prachtig die passie, maar is het handig om te trachten je droom te verwezenlijken door direct een bedrijf te starten? 

Een eigen bedrijf willen starten blijft immens populair bij veel jongeren. Veel succesverhalen hebben ze gelezen en dat stimuleert de droom. Jonge succesvolle ondernemers zijn nu eenmaal mooie blikvangers voor de media. Maar het is bedrieglijk. Het geeft de nodige adrenaline aan de belangrijkste motivatiefactoren: onafhankelijkheid, eigen verantwoordelijkheid voor succes of falen en intellectuele uitdaging.  

Klaarblijkelijk is de perceptie, dat het bedrijfsleven dit niet biedt. En dus besluiten vele twintigers om voor zichzelf beginnen, zonder ervaring en met (te) veel naïviteit. Ik vind dat zonde.

Natuurlijk zijn er prachtige succesverhalen vanuit de schoolbanken. Die zullen ook altijd wel blijven bestaan. Je moet het echter wel relativeren: hoe groot is de kans dat je succesvol wordt? Voor het bedrijfsleven zijn ambitieuze twintigers geweldig potentieel. Je moet alleen zorgen dat ze ruimte krijgen om te ondernemen binnen je bedrijf. Zorg ervoor dat de juiste motivatieprikkels aanwezig zijn om ‘beschut’ te ondernemen en als potentieel succesvolle ondernemer te groeien. Hiermee leveren ze een belangrijke bijdrage aan het bedrijf en als dit uiteindelijk leidt tot het met meer bagage starten van een eigen onderneming, is dit prachtig. Jammer dat je die visie veelal niet terugziet in het bedrijfsleven.

The Guardian schrijft op basis van Brits onderzoek dat de gemiddelde leeftijd voor startende ondernemers in het Verenigd Koninkrijk 47 jaar is. In de VS ligt dat op 40 jaar en in Nederland is dit volgens de Kamer van Koophandel 37 jaar. Niet toevallig natuurlijk want jonge veertigers zitten volledig in de kracht van hun leven om te gaan ondernemen. Ze hebben relevante werkervaring, vaak wat financiële stabiliteit, de kinderen zijn uit de luiers, de hypotheekschuld wordt overzichtelijk. De optie om voor jezelf te beginnen schiet bij velen regelmatig door het hoofd. Een kleine groep start ook echt en maakt grote kans op succes. Je kent de markt, weet de kansen in te schatten, hebt kennis en netwerk. Zo cruciaal om goed te kunnen inschatten dat je waarde kunt toevoegen aan de markt en daarmee succesvol kunt zijn.

Met een beetje vet op de botten, is ondernemen simpelweg gemakkelijker.

Ongezonde vleesvervangers - Albert van Keimpema

De hysterie over vlees begint me de keel uit te hangen. Vlees wordt in een verdomhoekje gedrukt, vanuit politieke dwingelandij. Vlees zou slecht zijn voor de mens en voor Moeder Aarde. Vlees zou geen goede voeding zijn, vlees zou vervuilen. 

Laat ik beginnen met vlees als voeding. Vlees is essentieel voor een gebalanceerd voedingspatroon. In vlees zit van nature eiwit en vet. Het bevat veel vitamines B, vitamine A (lever) en verder mineralen als zink, ijzer, fosfor en seleen. Vlees is dus gezond en vlees is bovenal lekker. Het geeft smaak aan de maaltijd. Daarom kunnen veel mensen niet zonder hun stukje vlees en blijven restaurantchefs zweren bij vlees. Al zolang de vroege moderne mens twee miljoen jaar op de aardkloot rondloopt is hij een carnivoor en daarnaast ook planteneter. Sinds 40.000 jaar geleden, toen Neanderthalers akkerbouwers werden, eet de mens granen en sinds 12.000 jaar geleden, toen de mens zich als melkveehouder ontwikkelde, is er zuivel bijgekomen op de schijf van vijf. 

Wat je eet ben je zelf. Een waarheid als een koe. Je moet eten wat je ouders en voorouders aten (dat verschilt per regio op de wereld), houdt mijn diëtiste mij voor; dat is de meest natuurlijke en gezonde voeding en veel beter voor mij dan vleesvervangers vol met soja, stelt zij als reactie op de enorm groeiende markt voor vega. Die is sinds 2017 namelijk verdubbeld. De schappen in de supermarkten liggen vol met allerlei veggyproducten en straks waarschijnlijk ook kweekvlees dat aan een opmars bezig is. Niemand wil de boot (lees: de winst) missen en dus zijn de grote jongens inmiddels ingestapt. Alles gaat plots veel sneller. De grote massa ligt binnen bereik.

Dat vlees een flinke impact op het milieu zou hebben en fors bijdraagt aan de CO2-uitstoot moet je nuanceren. Het produceren van vlees kan op twee manieren: extensief (weiden) en industrieel (bio-industrie). In extensieve zin betekent dat het houden van vleesvee in balans is met de omgeving en natuur maar ook laagproductief. In intensief opzicht betekent het dat vleesproductie effectief is, voordelig is en in verhouding weinig ruimte vergt. In beide varianten valt de stelling te verdedigen dat de voedselproductie duurzaam is. Er zit wel een verschil in kwaliteit maar dat is met alles zo. 

Ik prefereer het laten grazen van prachtige vleeskoeien, maar daar zit een kostenplaatje aan vast. Dat kwaliteitsvlees is duur voor de smalle portemonnee. Om alleen de happy few vlees te gunnen is asociaal. 

Ik kan zelf makkelijk drie dagen per week zonder vlees, nog wel meer dagen ook, want ik ben een halve vegetariër die groenten lekkerder vindt dan vlees. Maar om vlees uit ons voedingspatroon te bannen is belachelijk. Koeien schijten inderdaad, mensen en honden ook, die in nog veel grotere getalen rondlopen, en de rest wat ademhaalt en leeft. Koeienstront is bovendien een waardevolle meststof waarmee je voorkomt dat onze gronden verschralen.

Eet dus zonder bezwaar of wroeging het stukje bief, die gehaktbal en die sukadelap. Gezond, voedzaam en lekker. Restaurantgasten zullen er de voorkeur aan blijven geven. Zeker zolang vleesvervangersmerken hun waar aanprijzen als ‘vleesachtige structuur, neutraal van smaak’ onder misleidende namen als ‘biefstuck’. Veel smaak- en conserveringsstoffen, zouten, suikers en bindmiddelen zijn eraan toegevoegd.

‘Niet goed voor je gezondheid,’ zei mijn strenge diëtiste.

Lea Cohen - Hans Wiegel

Vlak voor de 4e mei werd ik geraakt door een verhaal in ‘Trouw’. Het ging over een onderduikfilmpje van kruidenier Frans Kloosterman uit Engwierum in Noordoost-Friesland, waar ik jaren geleden een boerderijtje had bij Ee.

Het filmpje werd gemaakt in 1944 over het Joodse onderduikertje Lea Cohen, die toen 8 jaar was.

Lea Cohen en drie andere Joodse onderduikers kwamen uit Amsterdam. Zij zat anderhalf jaar ondergedoken bij het kruideniersgezin in Engwierum. Haar broertje en haar ouders verbleven op andere adressen. Een mooie foto stond erbij. Allen overleefden de oorlog. 

Karin de Mik schreef het verhaal. Een bladzijde groot, met mooie foto’s.

Karin beschreef het verhaal dat door Frans Kloosterman, via een filmcamera die hij verkregen had van de familie Meijer, die ook ondergedoken was en die een fotozaak had in Vlagtwedde in Groningen. 

Het bijzondere is dat dit oude filmpje bijna 60 jaar in een la van het echtpaar Kloosterman had gelegen. In een blikje met een uur en tien minuten aan opnames. De familie schreef dat het je ontroert als je die oude beelden ziet. In het Historisch Centrum Tresoar in Leeuwarden werd gevonden om wie het ging. Zo kwam Lea Cohen in beeld. Zij verhuisde in 1959 naar Israël, trouwde en kreeg zoons. Jaren werkte ze voor Yad Vashem. Ze vroeg in 1974 de Yad Vashem-onderscheiding aan voor de familie Kloosterman.

Elk jaar stuurt Lea nog een kistje sinaasappels. Omrop Fryslân had van dit alles een live-uitzending gemaakt. Lea Cohen zei in die live-uitzending: “Het was of ik bij familie kwam. En zo is het gebleven”.

Laten we nooit vergeten wat in de oorlog is gebeurd met dank aan hen die Joodse mensen hebben gered. 

Borreltijd - Barbara van Beukering

In Amsterdam hebben we vier dagdelen; de ochtend, de middag, borreltijd, en de avond.

Als het werk erop zit, en de bekende vijf in de klok is gepasseerd, houdt de middag op. Borreltijd is aangebroken en het is tijd voor een glaasje. In de winter spreken we met collega’s of vrienden af in een café, in de zomer op het terras. Het prettige van een borrelafspraak is dat je van tevoren weet dat het een tijdslot betreft van pak ‘m beet twee uurtjes, en dat ieder daarna zijns weegs gaat om te eten. Je neemt om een uur of zeven afscheid en schuift om half acht met partner of gezin aan de dis. De borrelafspraak staat in ieder geval los van het avondeten. Je drinkt een biertje, tegenwoordig een speciaal biertje, of een glas witte wijn of rosé. Er hoort ook een consumptie bij de borrel want op de lege maag drinken is vragen om moeilijkheden. In Amsterdam zijn de laatste jaren steeds meer etablissementen die inspelen op de borrelcultuur door op de kaart een keur aan kleine hapjes aan te bieden die je kunt nemen als aperitief maar die ook zeer geschikt zijn als borrelhap; een blikje sardientjes, een artisjok, bruschetta’s of geitenkaas blini’s. Het zijn vooral wijnbarretjes die als paddenstoelen uit de grond schieten en die naast hun uitgebreide wijnkaart zich ook onderscheiden in gevarieerde borrelhapjes. Ik betrap mezelf erop dat ik tegenwoordig steeds vaker op de website de borrelkaart bestudeer, alvorens ergens af te spreken. 

In Friesland heerst een andere borrelcultuur. In mijn jeugd bestond die helemaal niet. Er was destijds geen terras in Drachten te bekennen en de cafés werden rond borreltijd voornamelijk bevolkt door mannen die er na hun werk een paar kopstoten achteroversloegen. Dat ze uit hun werk kwamen verzin ik er zelf bij, misschien zaten ze er ook wel de hele dag. In ieder geval herinner ik me dat mijn Friese vrienden om vijf uur ’s middags koffie dronken, om zes uur aan tafel gingen en in het weekend werd er na het eten ’s avonds pas gedronken. Nu ik na dertig jaar naar mijn roots ben teruggekeerd, is er wel wat veranderd. Ik woon nu in een dorp dat voornamelijk bestaat uit terrassen. De hapjeskaart is nog niet zo gecultiveerd als in Amsterdam, maar dat hindert niet, ik bestel ook graag een bitterbal, kaasstengel of een schaaltje nootjes. Maar ik moest toch even bij mijn Friese vriend, zelf een fervent borrelaar, te rade gaan hoe het staat met de Friese borrelcultuur anno 2021. Hij begint door te telefoon meteen het verschil tussen stad en platteland uit te leggen, en dan doelt hij op het verschil tussen de Friese steden en dorpen. ‘Van oudsher’, doceert hij, ‘ging het dorpsvolk aan het eind van de dag naar het café. Ze hadden tussen de middag warm gegeten, dus na het cafébezoek wachtte hen nog een boterham bij moeder de vrouw. De fabrieksarbeiders hadden een ander ritme. Zij hadden niet de luxe om tijdens de lunch thuis warm te eten en moesten een broodtrommeltje meenemen naar het werk. Het avondeten stond stipt om zes uur op tafel, dus een cafébezoek was niet aan de orde. En de boeren kregen op zaterdagochtend in het café (!) hun melkgeld uitbetaald en niet iedereen ging dan linea recta terug naar huis.’ Mijn vriend vertelt dat er een binnenvisser in het dorp was die, toen hij allang de fuiken op het droge had, nog steeds iedere zaterdagochtend om elf uur een aantal jenevertjes in het café dronk.

Ik dank mijn vriend voor deze historische uitleg en vraag hem hoe het nu gesteld is met de borrelcultuur. ‘In Friesland hebben de terrassen nog maar een jaar of dertig geleden hun intrede gedaan’, legt hij uit. ‘en sindsdien is het verschil tussen Amsterdam en Friesland niet zo groot meer. Maar de verschillen tussen de Friezen onderling is wel groot. De ene Fries borrelt nooit en gaat nog steeds stipt om zes uur aan tafel, de andere Fries strijkt einde middag graag neer op een terrasje.’ Ik dank hem voor de uitleg en we spreken af dat we elkaar snel treffen op het terras. Goddank zijn ze weer open.

Dickpic voor Cora - Klaas Jansma

Wie bedacht dat wij in het Noorden wel even 220.000 huizen zullen bouwen om een spoorlijn naar de Randstad aangelegd te krijgen, deugt niet. Zo’n plan is goed voor een miljoen bezwaarschriften. De prijs van mijn woonboerderij gaat dan zeker de helft naar beneden. Waar nu nog vrij uitzicht is, wonen ze dan in een buitenwijk, net als Ysbrechtumers na de jongste uitbreiding van Sneek.

Zitten we echt zo verlegen om een Lelylijn dat we ons land ervoor verkwanselen? Zonder enige democratische controle? Zomaar uit de losse pols, omdat je stoer wilt doen? Maak dan een dickpic en stuur die naar Cora, dan ben je een echte kerel. Maar zadel dit land niet op met een steenmassa.

De meeste nieuwe huizen komen natuurlijk in Groningerland, dat is nu ook al zo. Op de ruïnes van de boerderijen, die de NAM in elkaar laat zakken omdat elke scheur wijst op achterstallig onderhoud. Als dat bedrijf straks failliet gaat, kunnen alle gedupeerde Groningers fluiten naar hun centen. Dan komt de Lelylijn er en worden er 220.000 huizen gebouwd, hoera. Elk vrij stukje grond is ineens bouwgrond en de eigenaar is spekkoper.   

Wie 220.000 huizen in de nare leegte wil bouwen, moet de gekken zien te vinden die er willen wonen. Als die er niet zijn, dwing je ze. Rutte bezwoer indertijd de paniek van zijn tweede crisiskabinet door corporaties alle geld afhandig te maken, zodat ze hun sociale woningen wel móesten verkopen. Iedereen waarschuwde dat het verkeerd kwam. Maar Rutte ging ijzerenheinig door, want er zaten vijf oplichters onder die corporaties en dus pakte hij ze allemaal. Daarom betalen wanhopige daklozen nu een half miljoen voor een tussenwoning in Amsterdam.

Terwijl we hier bijkomen van de krimp, zoeken GS’en amechtig hun heil in een snelle trein naar de Randstad. Dat wordt een nieuwe klompentrein, let maar op. Dáár werken en hier wonen, elke dag op en neer. Tweehonderdduizend Randstedelingen in de diaspora.  Verbrand je taalbeleid dan ook maar, daar zit geen Hollander op te wachten.

Een Deltaplan maak je eens in je leven. Na een ramp: watersnood, Zeeland, 1953. Over tien jaar komt er wéér één, als het klimaatbeleid niet verandert. Wacht daar maar op en leg megalomane plannen voor aan Statenleden, zoals het hoort, en laat de gemeenten meepraten. Dan krijg je voor Fryslân in de komende tien jaar hooguit vijftienduizend huizen erbij. Dat is vijftienhonderd per jaar, meer moeten we niet. Zeker niet.

En die trein? Die is achterhaald. De toekomst is aan goed werk, snel internet en thuiswerken, in een mooi land waar nog ruimte is.     

            

Wie Sensibiliseert Wie - Sjoerd Galema

De soap die zich de afgelopen maanden rond de val van het kabinet en de formatie afspeelt geeft een bijzonder inkijkje in de manier waarop overheden functioneren, en omgaan met burgers en bedrijven in ons land. De Tweede Kamer heeft de afgelopen decennia stelselmatig de rol van ons Koningshuis gemarginaliseerd, waardoor onze Koning geen enkele rol meer mag spelen, bij de grote impasse waarin het politieke bestel zichzelf in een half jaar heeft gemanoeuvreerd.

Wat nu overblijft is gezeur over onze Koning en de corona-regels, en natuurlijk over wat ons dat als belastingbetalers allemaal wel niet kost. Politici die de democratische machine lieten vastlopen, kiezen opportunistisch voor een best respectabele, maar zeer bejaarde informateur (79) terwijl ons reeds betaalde én zeer competente Staatshoofd, Willem-Alexander - Koning de Nederlanden (54) door dezelfde politici, met D66 voorop, voor het echte werk op een zijspoor is gezet.

Je bent in het mijnenveld van de politiek nog goed af, als je “sensibel” wordt gekwalificeerd voor “een functie elders”. Voor de meesten die zich niet aan de norm van hun politieke kudde houden, geldt dat ze slinks worden geloosd. Uit elke partij kan ik u zo enkele namen noemen, van zeer respectabele en waarschijnlijk onze beste volksvertegenwoordigers, die dit is overkomen.

De beste volksvertegenwoordigers, die vanwege een sterke mening en visie, vaak met voorkeurstemmen zijn verkozen, moeten in dit perverse systeem worden gesensibiliseerd. Tegelijk lijken diezelfde politieke kuddes nog maar één keer in de vier jaar, bij verkiezingen “sensibel” voor een burger die dan even kiezer is. Beloftes over “Nieuw Leiderschap” en “Iedereen doet mee” verdwijnen direct daarna weer als sneeuw voor de zon.

Hoe rigide overheidsdiensten, zoals bijvoorbeeld de NVWA en de Belastingdienst, onder deze politieke sturing kunnen werken, bleek kortgeleden weer eens; Een ingehuurd bureau belde mij als voorzitter van VNO-NCW, omdat ze me in een advies/klankbordgroep over veenweide-polder “De Hege Warren” wilden hebben. Vele maatschappelijke clubs hadden al toegezegd, nu de werkgevers nog. 

Op mijn vraag of er burgers en boeren uit die polder in het overleg zouden aanschuiven, werd ontkennend geantwoord. Het gesprek werd nog minder gezellig toen ik vroeg of de beller wel wist over hoeveel generaties die boeren daar al woonden, en dat de voorouders van die boeren waarschijnlijk zelf de polder hadden drooggelegd?? 

En een kostbaar extern bureau?? Konden die opdracht-gevende ambtenaren, die we net als onze Koning toch al hebben betaald, het zelf niet??

Is het niet eerlijker om als politiek zélf met die betrokken burgers en boeren te praten, in plaats van anderen te gebruiken om ze “onder water te sensibiliseren?”

Altijd evolueren - Egon Diekstra

Het retail-landschap verandert. Dit is al bijna tien jaar aan de gang, maar mede door de lockdown wordt het opeens direct zichtbaar en is er paniek. Corona is niet de oorzaak, maar heeft wel zaken sneller duidelijk gemaakt: een winkel zonder onderscheidend vermogen is meer kansloos dan ooit. Wil je succesvol zijn, dan moet je altijd relevant blijven.

De hoge leegstand in vele steden in Nederland is een vreselijk armoedig gezicht en maakt de binnensteden niet fraaier en in sommige gevallen zelfs erg onaantrekkelijk. Online winkelen bestaat al een hele tijd, maar de marketingcampagne voor online die Corona heet, heeft alles enorm versneld.

De grootwinkelbedrijven zoeken met hun stenen winkels de locaties op waar de consumenten komen. Dat betekent dat ze over het algemeen een rem zetten op het aantal vestigingen, want heel veel winkelgebieden zijn niet meer voldoende aantrekkelijk. Kleine en vele middelgrote winkelgebieden trekken vaak niet meer het aantal passanten dat nodig is om een winkel rendabel te runnen. Dat gaat straks voor nog meer leegstand zorgen.

Veel zelfstandige retailers hebben geen toekomst meer. Zij hebben veranderingen voor lief genomen en zichzelf wijsgemaakt, dat aanpassen niet nodig is voor een duurzaam bestaan. Dan ben je geen ondernemer: iedere beweging in de markt biedt ook kansen.

De top 3 van succesfactoren voor een sterk retailmerk zijn een goed prijs-kwaliteitverhouding, vriendelijk personeel en aantrekkelijke aanbiedingen. In twee van de drie heeft de zelfstandige het volume niet om mee te doen. In het jongste onderzoek van ‘Fans love brands’ staat Bol.com onbetwist op nummer 1 en zijn Amazon en Alieexpress de grootste stijgers.

Kruidvat, Hema, Albert Heijn en Action maken onderdeel uit van de top 5. Zij weten zich te onderscheiden: ze zijn onmisbaar voor de consument, weten traffic te genereren en hebben loyale klanten. En er zijn meer prachtige retailmerken die grote toekomst hebben. Zij hebben onderscheidend vermogen en zich continu aangepast aan de veranderende consumentenwensen en -eisen.

Een manier om onderscheidend vermogen te leveren, is door een andere rol aan te nemen. Ondanks ‘Bol’ zijn er boekenwinkels die floreren doordat ze evenementen organiseren en daarmee een ontmoetingsplek zijn geworden. En in Friesland heb je in Gorredijk Rinsma Modeplein. Met bijna 10.000 reviews beoordeeld met een gemiddelde 4.8 op een schaal van 5. Dan voeg je dus echt iets toe, waar Zalando niet toe in staat is.

Woningen in ruil voor spoor - Pim Baljet

Centrale Banken namen eind vorig jaar 25% van alle nieuw verstrekte staatsleningen wereldwijd voor hun rekening. Regeringen over de hele wereld leenden, teneinde de door Coronamaatregelen getroffen sectoren te ondersteunen, samen nog nooit zoveel als het afgelopen jaar. In totaal gaat het om een bedrag van $9300 mrd. Dat is meer dan ze in de voorgaande acht jaar gezamenlijk leenden. In absolute getallen hebben de VS het meeste geld geleend. De Amerikanen nemen een derde van alle nieuwe wereldwijde staatsschuld voor hun rekening. 

In Nederland steeg de staatsschuld het afgelopen jaar naar een bedrag van $ 38.647 per hoofd van de bevolking. Feitelijk krijgt ieder kind dat nu in Nederland wordt geboren een hypotheek van gemiddeld ruim 32.000 euro cadeau. Van de typisch Nederlandse calvinistische moraal  “eerst sparen alvorens te consumeren” is in ons land weinig meer te merken. Op de Europese ranglijst staat Nederland één plaats onder Italië, dat de vermelding krijgt als Europa’s grootste schuldenaar gemeten naar de grootte van zijn economie.

Centrale Banken zijn de drijvende krachten achter de groeiende schuldenberg. Een onvoorstelbare 52% van al het nieuwe krediet dat overheden in 2020 ophaalden is verstrekt met nieuw, door centrale banken gecreëerd geld.  Twintig jaar geleden zou deze beleidsontwikkeling door financiële markten als “ketterij” worden bestempeld. In het huidige tijdsgewricht leidt de versnelling van monetair gefinancierde overheidsschulden evenwel niet tot een stijging van de rentelasten. Zwitserland, Denemarken, Duitsland en zelfs Spanje krijgen zelfs geld, lees rente, toe als zij geld lenen op de kapitaalmarkten. 

Welk kabinet gaat zich buigen over deze schuldenberg? Voorlopig nemen de winnende en verliezende partijen elkaar de maat en lijken slechts geïnteresseerd in het Haagse machtspelletje. Ik lees en hoor geen strategische visie over hoe we de echte problemen en knelpunten in Nederland gaan oplossen. De economische schade van Covid-19, stikstof, pfas, huisvesting, zorg en migratie zijn onderwerpen die acuut om structurele oplossingen vragen. Een informateur de gerezen vertrouwenscrisis laten oplossen is een gotspe. Het gebrek aan vertrouwen, zowel onderling als tussen overheid en electoraat, kan slechts met daden worden hersteld. Stop met zoeken naar minderheidskabinetten met een beperkt regeringsakkoord. Het is immers op vele vlakken een crisis en die vragen om een daadkrachtige aanpak. Een nationaal kabinet moet er komen waarbij iedere partij zijn verantwoordelijkheid neemt. 

De 4 noordelijke provincies hebben de coalitievorming niet willen afwachten en ontvouwden een plan om naast de reeds geplande bouw van 100.000 woningen de komende jaren nog eens extra 220.000 huizen, waarvan 45.000 in Friesland, te bouwen. Deze noordelijke bijdrage aan de oplossing van het woningtekort heeft voor het nieuwe kabinet wel een prijskaartje van 9,5 mrd euro voor de investeringen in treinverbindingen om de bereikbaarheid van deze provincies te verbeteren. Ik denk niet dat de Friese bevolking over dit proefballonnetje is geconsulteerd. Ik meen dat Friesland beter kan investeren in kwalitatief hoogwaardige recreatie- en verblijfsaccomodaties. De Nederlandse toerist en recreant heeft Friesland het afgelopen jaar immers ontdekt en nu is de uitdaging om die koopkrachtige recreanten structureel aan Friesland te binden.  

Friesland onder de loep - Albert van Keimpema

Na de sluiting van de jeugdherberg in Heeg (wat een verarming, zulke accommodaties vormen de kraamkamer van het toerisme), beleven we een nieuw dieptepunt in Friesland als onze almachtige gedeputeerde Douwe Hoogland (PvdA) zijn zin krijgt: de boer mag niet zomaar zijn weiland in. Als de boer dat van plan is, bijvoorbeeld om te maaien, te kuilen en te bemesten, moet hij eerst even iemand van de vogelwacht bellen, het kan zijn buurman zijn, om het land op nesten te controleren. In de ogen van Hoogland is een boer dom, onverantwoordelijk en onbetrouwbaar. Hoogland heeft geen kaas gegeten van de boerenwereld en ook niet van de natuur. Dus kan hij niet bedenken dat als beide belangen gediend moeten worden, boeren en natuurbeheerders bondgenoten moeten zijn.

Zo, dat ben ik kwijt. Friesland is niet altijd een land van melk en honing. Het valt soms niet mee de ondertitel van dit blad – ‘Kroniek van het goede leven in Friesland’ – waar te maken. Liever zie ik, en daar zal Hoogland het niet mee eens zijn, een imposante kerncentrale bij Harlingen verrijzen. Naar een prachtig Frank Lloyd Wright-achtig design waar je je aan vergaapt, om mijn part in de kleuren van de regenboog. Genderneutraal en dus politiek correct. Dat zal een skyline zijn die past aan de kim in een werelderfgoed als het Wad. De hele wereld zou naar ons kijken. Harlingen zou meteen afkomen van het etiket ‘meest kansarme gemeente van Nederland’, zoals recent werd gepubliceerd. Nu de Groningers op hun achterste benen staan na Rutte’s suggestie dat een centrale misschien wel in de Eemshaven kon, kunnen wij laten zien hoe je op bedrijfszekere, compacte, voordelige, duurzame en schone wijze en klimaatneutraal energie opwekt. Dat is weer eens wat anders dan dat prachtige, schone Groninger aardgas dat wij niet meer mogen gebruiken, en dat door onze buur Duitsland wordt gesubsidieerd omdat het zo’n lage CO2-uitstoot heeft. Hebben die Groningers het nakijken. Dat jaarlijks doosje radioactief afval stoppen we wel in een ondergrondse bunker, dat is schoner dan de stort van afval zoals we jarenlang hebben gedaan en ook schoner dan het tegenwoordige verbranden. Het mooist zou zijn dat we de energie voor eigen behoefte gebruiken. Zijn we meteen circulair. Bannen we verder alle plastic uit ons leven. Zelfs elektrisch rijden wordt duurzaam met een kerncentrale. Hoeven we ook geen sprookjes meer aan te horen. Zijn we daar ook van verlost. Hoe goed kan het leven in Friesland zijn?

Techmiljardair Steven Schuurman had beter anderhalf miljoen euro in zo’n centrale kunnen steken dan in D66 en de Partij voor de Dieren. Dan was zijn bijdrage aan het milieu effectiever geweest. Maar ik vermoed dat hij met een of ander softwareprogramma belang heeft bij een land vol windmolens en zonneparken.    

De centrale past ook in de bestuurlijke vernieuwing die ons is toegezegd door de rijksoverheid. Wij Friezen mogen meer baas in eigen huis zijn. Een goede zaak. ‘Wy rêde ús sels wol,’ is een gevleugelde uitspraak hier.

Maar de invloed van buitenaf blijft. Neem het belang in NDC Mediagroep dat door FB Oranjewoud is overgedaan aan het Belgische Mediahuis. ‘Er gaat niks veranderen,’ schreef Sander Warmerdam in een hoofdredactioneel commentaar. Niks veranderen? Aan een bedrijf dat structureel verlies lijdt? Wel, we lezen wat er onder meer is veranderd. Veel binnen- en buitenlandartikelen die in de Leeuwarder Courant verschijnen zijn geschreven door redacteuren van o.a. De Telegraaf die ook onder de paraplu van Mediahuis valt. De oude socialisten van de voormalige uitgeverijstichting Je Maintiendrai keren zich in hun graf om. De overname is goed getimed. Allemachtig, wat gaan er een mensen dood. Ik tel zaterdags zomaar twaalf rouwpagina’s in de LC. Joop Mulder had er in zijn eentje al zo veel. Zijn dood was goed voor een omzet van dertig mille. Van alle loftuitingen zou hij vreemd hebben opgekeken. Joop klaagde steen en been over zo weinig medewerking van bestuurders, ambtenaren en semipublieke organisaties. Niks kwam er de laatste jaren tot stand. Doe mij het geld maar, had hij waarschijnlijk gezegd, ik heb er een goede bestemming voor. Maar Mediahuis mag blij zijn met dat opmerkelijke rouw-adverteren in Friesland. Het is wel een manier om in de krant te komen, en je wordt gelezen.

Gelukkig, het is weer voorjaar. Zijn we ook van dat vermaledijde winterzwemmen af. Mensen doen dat voor hun gezondheid, zeggen ze, maar ze kunnen beter letten op hun geestelijke gesteldheid. Zwemmen in ijskoud water is niet gezond. Elke dokter waarschuwt. Je hart moet sterk zijn, je conditie top en je moet hebben getraind. Jelle Brandt Corstius doet het ook. Dat is die valse nicht die in de Me Tooperiode, waar je niks meer van hoort, te weinig aandacht kreeg en zei dat ook mannen worden aangerand. Hij beschuldigde zijn oude maat Gijs van Dam ervan en was te gast in alle talkshows. Echter, het bleek geflikflooi. De rechter moest Jelle duidelijk maken dat dat geen aanranden is. Wel, net als zijn collega’s zwemt Jelle met zo’n oranje luchtzak achter zich aan. Waar is die voor? Als het tegen verdrinking is dan is de lijn te lang. Misschien dat het tot doel heeft om een drijvend lijk makkelijk terug te kunnen vinden. Maar het kan nog stoerder: cryotherapie. Dan ga je in een vriescel van min 110 zitten. Voor het herstel heet het. Maar je krijgt gewoon een geweldige opdonder. Alles voor de show, en daardoor ontstaan al die hypes vandaag de dag. Hypes verbeelden de alledaagsheid omdat iedereen eraan meedoet. Ik verlang naar mijn jeugd toen je allerlei zonderlinge types had die zich niks van anderen en van de maatschappij aantrokken. Het waren mensen die tevreden met zichzelf en hun bestaan waren. Dorpsgekken werden ze genoemd. Een heerlijke geuzennaam.

Vakmensen in huis halen - Tjitte de Wolff

Het is hét item vandaag de dag in het bedrijfsleven: hoe kom je aan personeel? En vooral: hoe haal je vakbekwame mensen in huis? Het eerste antwoord ligt voor de hand. Je moet een goede werkgever zijn. Mensen willen een plezierige werksfeer en natuurlijk goede arbeidsvoorwaarden. Echter, er is krapte op de arbeidsmarkt. De vraag is groter dan het aanbod. Er zijn meer kapers op de kust. Je zult je als ondernemer moeten onderscheiden. Maar dat is niet het enige. Er zal meer aanwas moeten komen. Iedereen in onze branche hoopt dat jongeren zich interesseren voor de horeca en dat de toestroom naar opleidingen groeit. Daar heeft de hele sector behoefte aan.

Ik ben trouwens positief gestemd. Als ik zie hoe goed de ROC’s bezig zijn, vervult me dat met een gepaste beroepstrots. Iemand als Gerard Voskuilen heeft een geweldige drive. Opleiders zoals hij zijn goud waard voor de horeca. Zij leveren jonge mensen af die ontzettend welkom zijn in onze kweekvijvers. Want niet alleen de opleidingsinstituten vormen nieuw talent. In de praktijk leer je door. Ervaring opdoen is van groot belang in de horeca. Jobhoppen is in ons metier al veel langer aan de orde voordat dit begrip überhaupt werd geïntroduceerd. Iemand die zich wil bekwamen moet in zijn jonge jaren niet te lang op één plek blijven, weten wij. 

Ook mensen die zich hebben bewezen zoeken en vinden nieuwe uitdagingen. Neem Robert Buurma, de voormalige chef van Fryslân Culinair-restaurant Zuiver op Vlieland. Hij heeft een overstap gemaakt naar Lauswolt, waar hij in de keuken onder leiding van Arjan Bisschop souschef wordt en eveneens betrokken is bij Bistro Nijeholt, lid van Fryslân Culinair. Zulke transfers worden in onze branche altijd met interesse gevolgd en ze worden ook toegejuicht. Wij zijn het gewend mensen een nieuwe omgeving te gunnen. Vandaar ook dat ik het horecavak van harte kan aanbevelen bij mensen die een mooi, afwisselend en uitdagend beroep ambiëren. Never a dull moment, zou ik willen zeggen. Bovendien kun je veel richtingen inslaan: restaurant, hotel, (grand) café, keuken, bediening, gastheerschap, management, bedrijfsvoering, marketing. Daar komt bij dat onze sector internationaal georiënteerd is. In geen enkel vakgebied heb je wereldwijd zoveel mogelijkheden als in de horeca. Tegen de schoolgaande jeugd wil ik zeggen: kom eens kijken, laat je informeren. Er zijn veel verschillende opleidingen op ons gebied, en ook veel hoog gekwalificeerde opleidingen in onze provincie. Join the club! 

Tjitte de Wolff, voorzitter Fryslân Culinair.

Dunchen in coronatijd - Albert van Keimpema

Gaat corona ons eetritme veranderen? Of anders gesteld: gaan we door de beperkende maatregelen vaker overdag naar het restaurant? Het is goed mogelijk dat we daaraan gaan wennen. Wie in coronatijd uit eten wil en wordt gedwongen dat ’s middags te doen, kan dat wel eens goed bevallen. ’s Avonds laat uitbuiken is niet altijd plezierig. Het kan een goede nachtrust verstoren.

Ikzelf heb altijd de voorkeur gegeven aan de lunch in plaats van het diner. Lunchen gaat goed samen met het doornemen van de dagelijkse werkzaamheden of een zakelijk gesprek, maar ook aan tafel gaan met goede vrienden doe ik liever overdag dan ’s avonds. Een lunch vormt bovendien een welkome break van de dag, al vinden veel mensen een glas wijn midden op de dag geen goed idee. Ze kunnen dan in de loop van de dag de draad moeilijk oppakken, zeggen ze. Lunch dan zonder alcohol.

Dat het lunchmoment steeds meer wordt ontdekt merk je aan alles. Zo zag ik een tv-spot waarin lunchen als ‘het nieuwe dineren’ wordt aanbevolen. Restauranthouders passen hun openingstijden aan. Om toch nog wat omzet te kunnen draaien gaan ze eerder open, want tijdens de laatste avondlockdown moesten de deuren om vijf uur gesloten zijn. Zo worden gasten gedwongen om matineus te gaan leven. 

Ik juich deze trend van harte toe. In Friesland is er namelijk geen lunchcultuur. Wij Friezen hebben gewoonweg te weinig joie de vivre om de dag te vieren. Gevolg is dat specialiteitenrestaurants daardoor pas ’s avonds opengaan. De zaken die het hebben geprobeerd om een lunch te bereiden zijn na een poosje afgehaakt; geen droog brood te verdienen. Dat is bedrijfsmatig jammer. Voor het diner heb je veel voorbereiding nodig, je staat ’s middags toch in de keuken. Moet die lunch er ook wel bij kunnen. Misschien dat er een lichte kentering komt nu het bioritme van de mensen aan het veranderen is. We eten namelijk als het ons uitkomt, mede door al dat thuisbezorgen. Ontbijten doen we al later dan vroeger. Het is hier meer op de Franse petit déjeunier gaan lijken. Het volgende tafelmoment is de brunch (samentrekking van breakfast en lunch). De middag vervaagt eveneens. Vanwege de krappere openingstijden wordt het culinair jargon verrijkt met begrippen als dunch of dinch (samentrekkingen van lunch/diner). Matinée verdringt mogelijk soirée.

Maar ik heb het nu over Friesland. Wie wat dichter bij de landsgrenzen woont kan ’s avonds terecht in België en Duitsland waar de restaurants tot elf uur open zijn. Ze zijn daar ook veel verder. Zo hangen er CO2-meters die aangeven wanneer je moet ventileren. Nederland loopt achter. Wij hebben altijd moeite met het nemen van (duidelijke en tijdige) maatregelen en zeker met het naleven ervan. Want zeg nou zelf: waar kun je beter afstand bewaren dan in een restaurant waar het meubilair juist staat opgesteld? 

Staten en Stinzen - Hans Wiegel

Ik las een verhaal in de Leeuwarder Courant over Bearn Bilker. Hij is in Friesland een bekende man, historicus en oud-burgemeester van Kollumerland.  Hij is voorzitter van de Stichting “Staten en Stinzen”. Dan mag je denken dat hij zich sterk maakt voor dat soort panden. Maar dat is niet zo. 

Het echtpaar Dirk en Paulien van der Meulen wonen in ‘De Klinze’. Ze zijn ook eigenaar en dat is geen eenvoudige zaak. Ik ken de Klinze. Ik heb ernaar gekeken toen ik Commissaris van de Koningin werd. Maar ik durfde dat niet aan, want van binnen moest er heel wat gebeuren. Daarna kwam een jonge ondernemer, Peter Habekothé, die veel geld besteedde aan de restauratie om er een hotel-restaurant van te maken. 

Dat is gebeurd, maar dat kostte zo veel dat hij en zijn familie er bijna onderdoor zijn gegaan. Toen kwam een nieuwe eigenaar, Gert Snijders, die ook jaren zijn best heeft gedaan maar het later heeft verkocht.

Vervolgens kwamen Paulien en Dirk van der Meulen. Die doen hun best. Dan mag iemand als Bearn Bilker daar ook z’n best voor doen. Maar nu alleen maar geklaag en gezeur van die Stichting Staten en Stinzen. Hetzelfde gezeur hield hij ook over Oranjestein in Oranjewoud en Epemastate in Ysbrechtum. Blijkbaar snapt hij niet hoe moeilijk het is zo’n monumentaal huis overeind te houden: een historisch erfgoed. 

Bilker betreurt het dat in de uitzending veel is geknipt “waardoor mijn betoog niet de juiste context heeft gekregen”. Lekker gemakkelijk om de journalisten de schuld te geven! 

Eind november las ik dat Bilker en het echtpaar van de Klinze koffie gaan drinken om de kwestie te bepraten. Proost. We horen het wel hoe de koffie was! Een paar weken later schreef Bearn Bilker een prima stuk in de Leeuwarder Courant. Waarom ineens? En waarom geen verwijzing naar het negatieve gepraat met de eigenaren van ‘De Klinze’? Heeft Bilker met hen al een kop koffie gedronken? 

Fryslân boppe - Barbara van Beukering

‘The best of both worlds’, was ons motto toen we hier drieënhalf jaar geleden een huis kochten. Hikke en tein in Friesland, verlangde ik na meer dan dertig jaar in het centrum van Amsterdam gewoond te hebben terug naar ruimte en water. Aangezien we economisch gebonden waren aan de hoofdstad, en onze kinderen er allemaal wonen, leek ons het een puik plan om ons leven te verdelen over twee plekken, beter gezegd twee werelden. Van maandag tot vrijdag woonden we in ons appartement in Amsterdam, en van vrijdag tot zondag vertoefden we in ons landhuisje in Friesland. We zorgden ervoor dat in beide huizen alles aanwezig was, zodat we nooit koffers hoefden te pakken. Als we verkasten, namen we alleen telefoon en laptop mee. De ene helft van de week keken we uit op de Kloveniersburgwal en voeren de rosé-sloepjes onder ons raam langs, de andere helft van de week zagen we vanuit ons slaapkamerraam de skûtsjes op de Wielen voorbijzeilen. Mooier kon het niet.

Toch overkwam ons iets waar we geen rekening mee hadden gehouden; Friesland bleek een magneet. Regelmatig zeiden we op donderdagochtend tegen elkaar: ‘Zullen we vast gaan?’ En steeds vaker zeiden we, zittend in onze weelderige tuin op zondagmiddag: ‘Zullen we morgen pas teruggaan?’ Tegelijkertijd kreeg ik ook een beetje last van de logistieken; in welke koelkast stond een pak melk, en in welk toilet was het wc-papier ook alweer op? Hoewel ik goed georganiseerd ben, raakte ik toch regelmatig de kluts kwijt; had ik nou ons bed in Amsterdam verschoond of was het de Friese sponde? Ik ben het type dat graag in een opgeruimd huis aankomt, dus ik begon elke keer bij vertrek dwangmatig de vuilnisbak te legen, Wc-eend in de pot te gieten en nog even snel een dweil over de vloer te halen. Het is natuurlijk een grote luxe om in twee huizen te wonen, en ik durf het bijna niet hardop te zeggen, maar ik vond het ook een heel gedoetje. 

En toen, het was voorjaar 2020, kwam corona. Opeens hoefden we niet meer heen en weer te rijden want in Amsterdam hadden we niks meer te zoeken. In de lege spookstad waarde het virus veel gevaarlijker rond dan in de provincie en bovendien was alles wat een stad aangenaam maakt gesloten. Door het dringende advies thuis te werken kon Thomas, mijn man, zijn werkzaamheden telefonisch vanuit huis voortzetten. We besloten voor onbepaalde tijd naar Friesland te vertrekken. Het was een prachtig voorjaar. Terwijl de wereld in brand stond, waanden wij ons volkomen veilig. Ik was me voor het eerst van mijn leven bewust van de ontluikende lente. Dag in, dag uit volgde ik minutieus de ontwikkelingen van de flora en de fauna in onze tuin. 

Toen de lockdown na drie maanden in juni werd opgeheven, stonden we- heel gek- niet te popelen om naar Amsterdam te gaan. Signaal voor een goed gesprek. Thomas zou een half jaar later, hij werd 73,  stoppen met werken en ik ben zzp-er; waar mijn laptop staat, kan ik werken. Onze vrienden en kinderen wonen allemaal in Amsterdam maar zij komen dolgraag hier, en wij zijn zelf binnen anderhalf uur bij hen. Eén fles wijn verder hadden we het besluit genomen; we doeken ons huis in Amsterdam op en gaan permanent in Friesland wonen. Toen vrienden vroegen of we dat niet een heel rigoureuze stap vonden, legden we uit dat het een natuurlijk proces is geweest, we twijfelden geen moment.

Natuurlijk is het weleens jammer dat Paradiso en Carré zich niet meer op loopafstand bevinden en dat je niet op elke hoek van de straat een restaurant hebt met een vermaarde internationale keuken. Daarvoor moeten we nu vijf kwartier rijden. Maar wat we wel hebben zijn de Friese luchten en de eindeloze vergezichten over water en weilanden. Het pittoreske dorp, onze mienskip, waar iedereen elkaar kent en voor elkaar zorgt. Er is hier geen lawaai, geen haast, geen ergernis. Er is hier ruimte om te leven. Fryslân boppe.

Simpele ziel, beperkt van geest - Klaas Jansma

Van de waarde van 1 miljard kan ik me geen voorstelling maken. Zelfs 1 miljoen euro, de prijs van onze woonboerderij plus een goedkoop huis van de buren, vind ik al heel veel. Bij de Spar halen we altijd nog een ‘To Good to Go’ voor 5 euro. Daar zit van alles in. Wel tegen de datum, maar dat hindert niet als je de bril af zet. Want dan zie je die kleine cijfertjes niet zo. Bovendien vindt de visite het meestal heerlijk, want die krijgt de verpakking niet te zien.

            Eén miljard is veel, en dan moet zo’n Lelylijn nog aangelegd worden ook. Dwars door de bossen bij Beetsterzwaag, waar een vierbaans weg ligt, door schoon polderland en natuurlijk dicht langs woonhuizen in Lúkswâld. Die zullen wat in waarde dalen nadat ze onfatsoenlijk zijn gestegen. Daar zal wel misbaar van komen.

            Die Lelylijn, ons in het Coalitieakkoord in het vooruitzicht gesteld, kost maar een schijntje in vergelijking met de 35 miljard die voor het Klimaat wordt uitgetrokken en de 25 miljard voor het Stikstofprobleem. Omdat de rente laag is en blijft en er in Nederland acht miljoen woningen staan die gemiddeld per jaar een halve ton in waarde zijn gestegen, zijn we in 2021 zonder het te voelen samen 480 miljard euro rijker geworden. Dan kun je best royaal doen tegen ongeruste Groningers en zielige gedupeerden van de Toeslagenaffaire. Zestig is maar 12,5% van 480.

            Mark Rutte maakt het zich dus wéér gemakkelijk, met een fooi. Logisch dat iedereen nu wel mee wil regeren. Temeer als je weet dat met goedkope additieven in mest of veevoer de CO2- en stikstofemissie met 15 tot 40% lager kan uitvallen. Dan hoeft er dus geen boer meer uitgekocht te worden. Nou ja, niet voor het milieu. Wel misschien voor D66, omdat jonge mensen nu geen huis kunnen kopen dat er niet is. Misschien is dat de verklaring waarom er nauwelijks serieus aandacht is besteed aan vindingen van Rinze Joustra en de DSM. 

Er is nog een andere. Het is tegenwoordig al heel wat als er in Hea wat anders te zien is dan twee aparte jonge boeren en in de Grootste Krant van Fryslân wat anders te lezen dan over uitzonderlijk lage benzineprijzen in Sneek. Dat kan iedereen begrijpen, omdat het over gras en centen gaat. En de beperkten van geest hebben we ook komend jaar nog hard nodig, in dit barre land. Want in 2022 zijn de Ankers geen advocaat meer, zie je Foppe de Haan en Riemer van der Velde nog minder vaak en daalt het aantal gemeenten in Fryslân omdat Achtkarspelen, Tytsjerksteradiel, Harlingen en vooral Dantumadiel het zelfstandig niet volhouden. 

Reitze ís al gestopt met zijn Jouster restaurant ‘t Plein, dus zien we hem nu oneindig vaak voor de TV. En wat er in Coronatijd nog wél opengaat, kan niemand betalen. Zeker niet met een bedrag waar ik als simpele ziel me wél een voorstelling bij kan maken.